Koningsdag

Ik word wakker van een klik. Zodra ik mijn ogen opendoe zie ik onze peuter, gewapend met een geladen nerfpistool. De houding van de kat, oog in oog met de peuter, is veelzeggend over de sociale verhoudingen in huis: onze peuter die peutert en wij bewegen daar soepeltjes maar mét ontzag omheen. We geven haar zeker niet in alles haar zin, maar deinen zachtjes mee op haar bewegingen van protest, eisen en machtsstrijd. We laten haar niet winnen maar ze bepaalt wel degelijk hoe het één en ander verloopt in onze missie om stampij te omzeilen. En tóch wordt het allemaal wel een stuk makkelijker. Een groeispurt betekent veelal een enorme stap terug en dan twee weer vooruit. De stand van zaken is momenteel twee stappen terug en eentje weer vooruit, er is nog één hobbel te nemen, vermoedelijk de allerlaatste voordat ze geen peuter meer is.

Vandaag is de koning jarig. Er zijn vrijmarkten en de kinderen zijn er alledrie erg mee bezig in hun hoofd: ‘mogen we alsjeblieft…’ Naar een vrijmarkt met een zwaarbewapende peuter voelt niet erg relaxed maar thuisblijven lijkt geen optie. We maken afspraken die geen ruimte overlaten voor eigen invullingen, bekijken de inhoud van de spaarpotten en bespreken wat we wel en niet kopen. Knuffels en stuiterballen zijn uit den boze en alle andere losse zooi eigenlijk ook. Boeken en knutselspullen mogen wel, evenals aanvullingen op collecties die we al hebben: blokken, lego, Barbies etcetera. Papa blijft thuis vanwege grandioos slaapgebrek en dus zet ik als een spiderman drie lijntjes uit naar mijn kinderen.

Eenmaal op de vrijmarkt gaat het goed. Ik kijk mijn ogen uit naar m’n troubadours die overduidelijk een jaar ouder zijn. Er wordt onderhandeld, er wordt geld geteld en onze zoon durft zelfs af te dingen. De gewapende peuter voelt aan alles dat ze niet mee kan doen. Ze heeft een eigen portemonnee maar al het geld boven een euro beheer ik, ze moet aan de hand lopen en wil van ieder kleed wel iéts kopen en het is nooit iets moois. Ik weiger met steeds minder geduld bij alles wat ze aanwijst. Een zeurderig jengeltje kondigt de oorlog aan, ik hoor de klik van het geladen wapen in mijn oren en ik besef dat ze serieus genomen moet worden.
Ik geef haar niet langer mijn hand maar die van haar zus. Ze mag voorop lopen en de voldoening straalt van haar rug af. Ik kondig aan nu gericht te zoeken naar iets wat zij leuk vindt en dat de oudsten dit klakkeloos accepteren illustreert hun groei. Ik dank ze hardop en inwendig en al snel hebben we beet: een afzichtelijke plastic koffer met de sinds een jaar felbegeerde doktersspullen. Ik beweeg iets mee door de regel tegen losse zooi even te parkeren, stop wat geld in haar portemonnee waarna ze zelf mag betalen. De vrijmarkt wordt een groot succes waarin iedereen zich gezien en gehoord voelt, ook ik.

In het geweld van diverse fases van het jonge kind merk ik dat ik het soms lastig vind haar het vertrouwen te geven en de ruimte om ook haar groei te laten zien. De buien zijn soms zo heftig en de fases zo intensief en langdurig, gevoed door slaapgebrek en jengelintolerantie dat dit het beeld op het kind wat vertroebelt, ik ben ook maar een mens. Gelukkig heeft ze een wapen waarmee ze me kan waarschuwen.

 

Makker

Je eerste vis vangen is een mooie stap op weg naar mannelijkheid. Gisteren was daar het moment voor onze zoon. Zes jaar. Zijn eerste vis. Hij ving hem welleswaar niet met zijn blote handen, maar toch. Het effect was groots.
Op de heenweg verkondigde hij dat ik geen boodschappen hoefde te doen die dag. Hij zou vissen vangen voor op de barbecue. Hij zou ze allemaal bakken en ons te eten geven, zoals het een echte man betaamt. Nou hebben wij geen hengelsportambities of –verstand, maar een schepnet en emmer hadden we wel. Het wonder vond plaats in de Blauwestad.
Het duurde even voor hij de slag te pakken had. Dat die vissen niet spontaan en vrijwillig in zijn net zwommen vond hij maar stom. Hij knielde langs het water en bedacht dat als de vissen niet wilde komen, hij dan de andere waterdiertjes, die er wel in grote getale waren, wel uitgebreid kon bestuderen.
In alle rust kletste hij met schrijvertjes, slakjes en wezens die we in geen enkele categorie konden plaatsen. Zijn fantasie nam hem mee. Hij beleefde grootse avonturen met vuurslakken en bliksemvissen. Hij leerde de schrijvertjes dat zijn naam met een O begint en verloor zichzelf in een prachtige innerlijke wereld.
In al die rust en in de warme zon was er uiteindelijk één vis die besloot hem tegemoet te komen in zijn wens om hem te vangen. Het kleine beestje kwam naar hem toe gezwommen en in één soepele beweging zat hij in het net. Mijn zoon ving een vis en zijn trots straalde een rondje om de wereld. Na hem aandachtig bekeken te hebben gaven we hem zijn vrijheid terug. Zoonlief sprak plechtig en met trillend lipje: ‘dag makker, ik zal je missen.’ We sjokten nog wat rond het water maar de glans was eraf. Makker verdween uit het zicht.

Met de barbecue werd het niks. In de praktijk bleef het bij dit ene kleine diertje. Het zou niet genoeg zijn voor ons allemaal, dus togen we naar Albert Heijn voor een alternatief.
Al snel overheerste gelukkig toch de euforie, het was hem maar mooi gelukt. Maar hoe zou het hem toch vergaan, daar in het koude water? En had hij eigenlijk wel een zwemdiploma? ‘Ik mis mijn makker, mam…’ Konden we nog terug om nog even te zwaaien? Nee. Mijn houding was ferm en onverbiddelijk. Daar zouden we niet aan beginnen. Ik glimlachte bij het idee dat die stap naar mannelijkheid gelukkig nog even op zich liet wachten. Mijn grote kleine knulletje… En terwijl ik een stronk broccoli in onze kar legde brulde hij door de winkel: ‘wow, een tv… ik ga kijken!’ Ik stond even stil en besefte: hoeft geen man te worden. Hij is er al één.

We zijn er bijna, we zijn er bijna, maar nog niet helemaal…

Als de populatie in de zwembadkantine bij het naderend afzwemmen een afspiegeling zou zijn van de staat van de wereld, dan was er sprake van een smerige loopgravenwereldoorlog. Maar weinig moeders kunnen bij een naderend afzwemmen van hun kroost hun duistere kanten verborgen houden. Afpersing, chantage, verwensingen, bedreigingen en omkoperij zijn aan de orde van de dag zodra het a-diploma in zicht komt.

Nu zwemt ieder kind in principe af op het moment dat het eraan toe is. Echter vanwege de lange zomersluiting, wordt ernaar gestreefd de kinderen voor die tijd afzwemklaar te maken, indien haalbaar. Dat wel natuurlijk. Maar nu wil het geval dat deze zomersluiting dit jaar extra lang duurt vanwege renovatie van het zwembad. De moeders aan de zijlijn trekken dit nauwelijks. 4 juni sluit het zwembad al en het verlossende woord over wie er vóór die tijd een zwemdiploma in zijn of haar bezit heeft zit gevangen in de badmeester. De vraag is nu natuurlijk: hoe krijg je het eruit?!

Vanuit de kantine hebben we als ouders zicht op het zwembad. Zaten de ouders in het begin nog lekker te kletsen, inmiddels zijn alle vaders afgehaakt en worden broertjes en zusjes zo veel mogelijk thuisgehouden voor optimale concentratie van de moeders over wat er in het water gebeurt. De voorhoofdafdrukken staan permanent op de glazen wand en dat de neuzen nadien nog in de juiste vorm terugspringen mag een wonder heten.
Wat de meester tegen de kinderen zegt kunnen wij niet horen. Wat de moeders over de meester en zijn lessen zeggen hoort hij ook niet. Ik denk dat dat voor de lieve vrede ook beter is. Zolang de kinderen niet mogen afzwemmen deugen zijn lessen en zijn visie niet en wordt hij veranderlijk genoemd. Dat paniekerige kinderen toch weer een kurkje om krijgen is zijn schuld en dat het jongetje met kurk het nu voorzichtig zonder mag proberen deugt ook niet. Hij laat ze te vrij, hij houdt ze te kort, maar wat hij ook beslist, het zal niet in goede aarde vallen. Tenzij de beslissing inhoudt dat ze mogen afzwemmen.
Er wordt gebonkt op de ramen om “mees” te attenderen op de kinderen in zijn groep. Er wordt gebiecht over wat er beloofd is als de kinderen zorgen dat ze mogen afzwemmen vóór de zomervakantie. Tere kinderzieltjes worden omgekocht met i-pads in ruil voor prestatie en sommigen eten iedere woensdag friet op voorwaarde dat er fatsoenlijk gezwommen wordt.

Tegen het einde van een zwemles met gespannen moederlijke nekspieren en zwetende lijven gebaart “mees” ons naar het bad. Als lammetjes op weg naar de slachtbank lopen we de chloordampen in, de meesten met een licht gebogen hoofd. Ik verbaas me over de slachtofferige houding na de strijdkreten van zonet.
Uiterlijk draagt hij een stapel brieven over de drie maanden durende zomersluiting, innerlijk draagt hij het zwemlot van onze kinderen.
Al snel worden mijn zoon en een ander jongetje vrijgesproken van rampspoed en inhaallessen en volgt de wildcard tot het examen. De andere moeders horen het vonnis over hun kroost: extra lessen tot aan 4 juni plus op zondag extra zwemmen, maar of het genoeg is? Het zal afwachten zijn. Wellicht loont de moeite niet.
Eén moeder druipt af, de rest draagt haar lot. Zo lijkt het. De verslagenheid is groot. Hoe moet het nu verder? In de kleedkamer hangt een beladen stilte. Zojuist stierf de hoop op een soepele afloop en een zwemdiploma in de zomer. De bandjes gaan mee op zonvakantie en dat is een grote tegenslag, de moeders rouwen. Als ik mijn kind complimenteer voor zijn harde werken voel ik de messen in mijn rug. Ik geef hem een kus en verwens de moeder met de grootste bek.

Als we na zwemles nog een ijsje eten om te vieren dat ons kind na veel oefenen eindelijk mag afzwemmen dreint er een meisje aan de hand van de loedermoeder wier messen ik in mijn rug voelde in de kleedkamer. ‘Mam het is zo warm, mag ik ook een ijsje?’ vraagt het kind. ‘Nee! Dat mag je niet! Zolang je niet afzwemt krijg je geen ijs!’ Het kind wordt aan haar armpje voortgetrokken en ik blijf verbijsterd zitten. Ik wens sterk dat deze moeder bevangen is door de extreme warmte die zich zo onverwacht in april al aandient en dat het niet haar echte karakter is dat ik nu zie. Ik ben dankbaar dat mijn zoon op eigen kracht en zonder haken en ogen mag afzwemmen, gewoon omdat hij eraan toe is.

Zwemles-vroeger

Slaapzak(en)

Geef haar een stokje en ze bezit een boom. Geef haar een touwtje en ze bezit een kluwe garen. Geef haar een papiertje en ze bezit een potentieel kunstwerk. Geef haar een lapje en ze bezit een naaiatelier.
Geef haar iets kleins en ze bezit de wereld, dat is hoe het werkt voor haar.
Voor slapen is weinig tijd, haar innerlijke wereld is immens. Immens en intens.

Van slapen kwam het niet. Ze kon het niet, ze wilde het niet. Haar hoofd was nog bezig. Dat mooie hoofd en die behendige handen. Ze maakten een jurk van een legging en een slaapzak. Een slaapzak. Gelukkig koos ze voor slaapgerelateerd materiaal.

 

_20180416_205043.JPG

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑